Hieronder volgt een chronologisch overzicht van alle bijzondere (ere)burgers die Pixelburg rijk is. Ondanks het feit dat deze lijst met grote zorgvuldigheid is samengesteld door de Afdeling Burgerzaken kunnen hier geen rechten aan worden ontleend.diepen. Klik op de foto's naast iedere burger voor een vergroting.

U kunt ook kiezen om burgers te tonen uit specifieke jaren, of een willekeurige bewoner op te diepen. Klik op de foto's naast iedere burger voor een vergroting.

Godiva Berenvoetje

Godiva Berenvoetje en haar opmerkelijke gebit

Godiva Berenvoetje

(1712 – †1763)

Godiva Berenvoetje is een van de weinige vrouwelijke kunstenaars uit de Pixelburgse geschiedenis en een groot voorbeeld van hedendaags kunstenaar Groof Bittebaart.

Mevrouw Berenvoetje leefde in de 18de eeuw en was van adellijke komaf, haar zuster trouwde met een telg uit het Okelebeerszoon geslacht, zijn naam was Johannes-Jan Okelebeerszoon. Dit huwelijk legde zowel Godiva als haar zus geen windeieren en stelde haar in staat om haar leven te wijden aan de schilderkunst. Haar bekendste werken zijn "Maanlicht op de Vieze Vuile Hei" en "De Sijsjeslijmende Monnik".

Gedurende haar leven is Godiva Berenvoetje niet getrouwd, wel had ze vele minnaars en bewonderaars die haar allen liefkozend "Konijntje" noemden, dit vooral door haar opvallende gebit.

Josquin - De Jos - Sijselius

Een argeloze reiziger gaat vol goede moed op weg naar zijn bestemming. Denkt hij! De Jos is echter zichtbaar als malicieuze bewegwijzering op de achtergrond en stuurt de rijke heer mooi het bos in, om hem daarna te ontdoen van enige rijkdommen.

Josquin - De Jos - Sijselius

(1701 – †1782)

Josquin Sijselius is een volksheld van mythische proporties geworden dankzij alle verhalen en legenden die de ronde over hem doen. Deskundigen menen echter dat De Jos, zoals hij in de volksmond ook wel genoemd wordt, in werkelijkheid niet meer was dan een ordinaire struikrover.

Sijselius leefde in een tijd van oproer, de Republiek stond na het midden van de 18de eeuw op losse schroeven. Pykselsche Burgh schaarde zich echter sterk onder het kamp van de republikeinen en men moest weinig hebben van de orangisten die regelmatig voor onlusten zorgden. Het is zelfs zo dat de sterfdatum van Balthasar Gerards, de moordenaar van Willem van Oranje, jaarlijks nog plechtig wordt herdacht in de gemeente Pixelburg.

Josquin - De Jos - Sijselius opereerde in die tijd als struikrover en was waarschijnlijk wars van alle contemporaine politieke rompslomp. Als meester in vermommingen was hij echter de schrik van menig argeloze reiziger. De Jos vermomde zich over het algemeen als wegwijzer die reizigers op de Pixelburgse wegen finaal de verkeerde kant op stuurde. Wanneer het verdwaalde slachtoffer eenmaal in een moeras was gelopen of uren ronddoolde op de hei schoot De Jos hen "te hulp". Zodra hij zijn slachtoffers had verlost van al hun kostbaarheden verdween hij weer het struikgewas in om later terug te keren als hulpvaardige bewegwijzering, zodat de berooide reizgers hun weg weer konden vervolgen.

De Jos is vooral bekend geworden vanwege zijn onbedoelde hulp aan de republikeinse zaak. In 1748 brak de pachtersoproer uit die ook in Pykselsche Burgh voelbaar was. Vanwege de geboorte van een baby (versie 5.0 uit de lijn van de vermaledijde Oranje Willems) plunderden verborgen cellen van orangistische terroristen in dat jaar de huizen van rijke herenboeren en landadel van Pixelburg. Toen ze met de buit uit Pykselsche Burgh naar de Grote Stad wilden vluchten werden ze vriendelijk de weg gewezen door een serie hulpvaardige borden. Uiteraard betrof het De Jos in vermomming, die het orangistische tuig regelrecht Smoorslenken instuurde. In het hoogveen overmeesterde De Jos de criminelen en ontdeed ze van hun gestolen goederen, daarna is er weinig meer vernomen van de orangisten in Pykselsche Burgh.

Sindsdien staat Josquin Sijselius, De Jos, bekend als volksheld. De rijken lieden in de stad waren weliswaar hun rijkdommen kwijt, maar zagen het als een goede zaak dat deze niet in handen waren gekomen van de Oranjes. De daden van De Jos resoneren nog steeds in Pixelburg en worden gezien als het toonbeeld van de onafhankelijke geest die rondwaart in de gemeente. Tijdens de jaarlijkse Balthasar Gerards Herdenking is het niet ongebruikelijk dat men zich verkleed als bewegwijzering, om de republikeinse geest te eren.

Frukske Nunnenuh

Frukske in haar nadagen. Haar ouderdom is al enigszins zichtbaar, maar haar prachtige kleding doet dergelijke smetten acuut teniet.

Frukske Nunnenuh

(1647 – †1798)

Als Priscilla van Klinkeren, eigenaresse van een immer groeiend schoonheidsimperium, beter had opgelet tijdens de geschiedenislessen op de lagere school, zou ze weten dat haar professie al een lange geschiedenis kent. Al in de 18de eeuw floreerde de schoonheidsindustrie in Pixelburg, toen nog Pykselsche Burgh geheten.

 

De spil van de schoonheidsindustrie was Frukske Nunnenuh, volgens de overlevering een beeldschone dame die door veel edellieden gevraagd werd om de heren en dames op te maken, pruiken te poederen en moedervlekken in te kleuren.

 

De schoonheidsbehandelingen en verjongingskuren van Mevrouw Nunnenuh waren met recht legendarisch en haar werkmethodes controversieel. Frukske Nunnenuh bereidde haar zalven en poeders met dode ratten, levende kikkers, dierenuitwerpselen en allerhande insecten. Dergelijke praktijken zouden haar in andere gebieden als heks gebrandmerkt hebben, maar in het tolerante Pykselsche Burgh stonden er gigantische rijen van welgestelde vrouwen en mannen die zich gretig lieten besmeren met doorgekookte schapenmest.

 

De schoonheidsbehandelingen werkten namelijk, Frukske Nunnenuh was hiervan zelf het levende bewijs. Schoonheidskoningin Nunnenuh werd namelijk al in het midden van de 17de eeuw (1647) geboren en hield het vol tot het einde van de 18de eeuw (1798) en dat allemaal dankzij haar esoterische poeders en zalfjes. Toegegeven, rond het einde van haar leven moest Frukske het vooral hebben van haar schitterende kleding, kunstig afgezet met bloemen, dan van haar verdere uiterlijk, maar een betere reclame voor haar leeftijdsverlengende schoonheidsproducten kon ze zich niet wensen.

 

De receptuur van de revolutionaire schoonheidsproducten nam Frukske mee in haar graf. Na een behandeling in de schoonheidssalons van Priscilla hoeft u niet te verwachten langer te leven, gezien de gigantische lagen foundation en mascara op basis van kwik en vergruist asbest is wellicht het tegendeel van toepassing.

Hansjan Okelebeerszoon IV

Olieverf portret van Hansjan Okelebeerszoon IV

Hansjan Okelebeerszoon IV

(1641 – †1699)

De vierde Hansjan uit de Okelebeerszoon dynastie welke tot op de dag van vandaag nog veel invloed uitoefent in de Pixelburgse gemeenschap. De directe afstammeling Deodatjan Okelebeerszoon XII, werkzaam als eenzame ICT medewerker bij de lokale bibliotheek, vormt dan misschien een uitzondering op deze regel, maar als men kijkt naar de successen van Peerjan (Peer) Okelebeerszoon en zijn Okelebeerszoon Media Groep kan niet anders gezegd worden dat de nazaten van Hansjan IV ondernemende lieden zijn.

Hansjan Okelebeerszoon bouwde Het Wachthuis aan de rand van de Pixelburgse Hei, grenzend aan het natuurgebied Voxelsteyn. Dit deed hij om de volksverhalen over het bestaan van "Vieze Vuile Spoken" nader te onderzoeken, een hobby van de rijke herenboer met te veel tijd.. Er bestaan vele, oude legenden omtrent "Vieze Vuile Spoken", "Heksen Nok" en "Doodskoppen Mee Zo'n Wit Gewaad" die de omgeving van Pixelburg en de heidevelden in het bijzonder onveilig zouden maken.

Vroeger zou in Het Wachthuis permanent iemand, meestal slechtbetaald personeel van Hansjan, aanwezig zijn om de heidevelden in de gaten te houden en enige informatie over spookactiviteit vast te leggen. Heemkundekring Dûn Hontige Fánt heeft verscheidene geschriften van Spookwachters uit Het Wachthuis beschikbaar voor inzage.

Hansjan Okelebeerszoon IV liet na zijn dood alleen Het Wachthuis na. Zijn fortuin was bij zijn leven opgegaan aan duur onderzoek naar de Vieze Vuile Spoken en beleggingen in de windhandel in tulpenbollen.

Zonnige Nel

Zonnig Nel op zijn paard in een mal pak, met zijn zonnebanier en een luipaardvel als zadel. Om je te bescheuren!

Zonnige Nel

(1638 – †1687)

Is Zure Nel een verbitterde oude tante, Zonnige Nel - een mannelijk lid van het geslacht Nel - was dit meer dan twee eeuwen geleden zeer zeker niet.

Zonnige was volgens de overlevering een grote grappenmaker. Zeg maar het 17de eeuwse equivalent van Bassie. U weet wel, van: ♪♬ "Bassie en Adriaan, Bássie en Adriaan, dat zijn de beste vrienden..." ♬♪

Zonnige zat vol grappen en grollen. Zo is er het verhaal dat op een dag de Pixelrijn volledig roze kleurde. De dorpsbewoners begrepen maar niet waarom dit het geval was, totdat ze Zonnige aan de waterkant in zijn vuistje zagen zien lachen met een fles rode kleurstof naast zich.

Zonnige bewaarde uitgeschreven versies van zijn streken in een speciale doos; zijn moppentrommel. Op warme zomeravonden kwamen de kinderen uit Pixelburg toegestroomd naar Zonnige Nel om hem te vragen de ene na de andere dijenkletser uit zijn moppentrommel te toveren. Dat waren nog eens tijden.

Tegenwoordig zit zijn directe en enige overgebleven afstammeling Zure Nel in een doorzonwoning in het Zuiden van Pixelburg. Een moppentrommel heeft ze niet.

Hallard Polleplu

De corpulente pruikenproducent Hallard Polleplu in zijn welvarende tijd

Hallard Polleplu

(1634 – †1677)

In de 17de eeuw is het belangrijkste exportproduct van Pyskelsche Burgh de pruik. Er was al tijden een pruikenmaker werkzaam in de stad, Hallard Polleplu genaamd. Polleplu leidde een vrij rustig leven en genoot enige bekendheid als leverancier van kwaliteit, totdat de door de Franse koning Lodewijk XIII gestarte pruikenmode zijn intrede deed.

Hallard Polleplu zag zich gebombardeerd tot officiële hofleverancier van pruiken. Door de geëxplodeerde vraag naar pruiken en de wekelijks veranderende mode zag Polleplu zich genoodzaakt tot het vergroten van zijn personeelsbestand en het uitbreiden van zijn werkplaatsen.

Toen de pruikenindustrie van Pykselsche Burgh op zijn hoogtepunt was, waren er niet minder dan tien pruikenwerkplaatsen, veelal rondom de Grote Kerk. De pruikenhandel legde Polleplu geen windeieren. Hij reisde veelvuldig, bijvoorbeeld naar het hof van Lodewijk XIV met een speciale glinsterende pruik van jonge maagdenhaar, en had veel tijd voor zijn grote hobby; eten.

Ook Pykselsche Burgh vaarde wel bij het succes van de pruikenproductie, in 1673 kwamen enkele hovelingen op bezoek met een officieel document dat nog slechts een handtekening van de Schout behoefde: de stadsrechten van Pykselsche Burgh.

Het succes van de pruiken had echter ook een keerzijde. Polleplu had namelijk moeite met het bijbenen van de vraag naar nieuwe pruikmodellen. Alle pruiken vereisten een grote hoeveelheid afgeknipt haar en de barbiers in Pykselsche Burgh produceerden niet voldoende. Met het importeren van menselijk haar uit andere steden trachtte hij tevergeefs zijn productie aan de gang te houden. Wanhopig trachtte Hallard Polleplu zijn haarschaarste op een andere wijze aan te vullen: met het haar uit paardenstaarten.

Al gauw kwamen er klachten van heinde en verre over de grove, harde pruiken van Hallard Polleplu. Sommige hovelingen klaagden dat ze naar “stal” gingen roken en een enkeling haalde een klodder paardenmest uit zijn keurige, bepoederde haardos.

De vraag naar pruiken van Polleplu nam dan ook zeer sterk af, Hallard Polleplu die inmiddels ver boven zijn stand leefde, berooid achterlatend. In 1675 raakte Polleplu aan de bedelstaf en een laatste bericht uit 1676 maakt melding van een magere, naakte landloper gehuld in luxueuze pruiken in de bossen van Pykselsche Burgh.

Gladmilla de Melkschutter

Ook een zichtbaar hongerige meneer pastoor ontvangt de melk van de Heilige Gladmilla gretig. Ze presteerde overigens het beste op een gouden sokkel en met een willekeurig kind op de arm zoals te zien op het schilderij.

Gladmilla de Melkschutter

(1614 – †1663)

Zowel in het heden als verleden leefden er zeer bijzondere personen in Pixelburg. Een aantal zijn zelfs heilig verklaard, zoals Elisabetta Rotundo van Kwukkelen. Ook Gladmilla de Melkschutter, een belangrijk figuur uit de Pixelburgse historie, is tot heilige verheven door het Vaticaan in 1963 vanwege haar goede daden in het rampjaar 1650.

Gedurende het jaar 1650 kampte Pykselsche Burgh met een hongersnood, het gevolg van tegenvallende oogsten en politieke strubbelingen in de rest van het land. Grote gezinnen leefden weken lang van een enkele suikerbiet en de gegoede burgerij at slechts drie gangen in plaats van de gebruikelijke negen. Het was voor iedereen dus een helse tijd.

Aan het einde van 1650 waren er velen die van de honger om zouden komen, het was op dat moment dat Gladmilla, een boerendochter uit de contreien van Pykselsche Burgh, ten tonele verscheen. De simpele Gladmilla bleek een bijzondere gave te hebben, haar linkerborst gaf een oneindige stroom melk die ze ook nog eens enkele meters ver kon doen spuiten. Haar melk bleek dermate voedzaam en helend dat enkele druppels een uitgehongerde man van elke rang en stand weer sterk en gezond konden maken.
Gladmilla trok enige maanden door de straten van Pykselsche Burgh, spoot lustig met haar genezende melk en redde zo de uitgehongerde bevolking. Na een fantastische oogst in 1651 was de hongersnood in Pykselsche Burgh voorbij en trok Gladmilla zich, tezamen met haar wonderbaarlijke borstpartij, terug op het platteland waar ze soms nog bezocht werd door zieke pelgrims die om haar helende melk smeekten.

Yijsgert Jurcks

De familie Jurcks, met Yijsgert ietwat sinister in de schaduwen op links. Zijn dochters, met de kattencompositie van Yijsgert, spelen met een Voxels Sijsje. Zijn haarloze vrouw, met karakteristieke bijzettafelmuts, kijkt weemoedig toe.

  • Yijsgert Jurcks

Yijsgert Jurcks

(1610 – †1663)

Het beroep van Conceptueel Kapper geniet weer grote populariteit dankzij de kunsten van Pjotr Danko, maar in de 17de eeuw was het de markante Yijsgert Jurcks die het ambacht van de conceptueel kapper op de kaart zette. Jurcks noemde zijn beroep "haarcomponist", maar is in wezen niet anders dan het conceptuele knippen van Danko.

Yijsgert was een meester in het verloren gegane ambacht van het zogenaamde bijknippen. Zijn bijna bovennatuurlijke kappersvaardigheden stelden hem in staat om haar te laten groeien terwijl hij knipte. Hij had de gave om weelderige haardossen te ontstaan bij heren die niet meer dan enkele ielige sprietjs op hun hoofd hadden en ook baarden groeiden als kool onder de handen van Yijsgert. Zodoende was Haarcomponist Jurcks de redding van iedere kalende man.

De pruikenmanie, met Hallard Polleplu als spil, in de latere 17de eeuw deden zijn zaken echter geen goed en Jurcks trok zich dan ook, met zijn opgebouwde vermogen, terug in zijn gezinsleven. Zijn familie plukte nog wel de vruchten van zijn haarwonderen. Zo hadden zijn kinderen er groot plezier in als hij ze als jonge katjes knipte of als hij zichzelf verstopte onder een woest tapijt van baard.

Volgens de overlevering werkten de kunsten van Jurcks niet op zijn vrouw, die haar leven sleet met een kaal, blotebillengezicht en dit verbloemde door malle hoedjes te dragen.

Palf Kortepootje

Palf en zijn, door de Bosduvel, geïntegreerde huishoudster in het enige bekende portret van de twee, gemaakt door een geïntrigeerde chirurgijn uit de Grote Stad.

Palf Kortepootje

(1603 – †1705)

Palf Kortepootje werd geboren in de Grote Stad en verdiende zijn geld in eerste instantie als pandjesbaas en was in die hoedanigheid bijzonder berucht. In het midden van de 17de eeuw koos de als meedogenloos bekendstaande Palf ervoor om met het geld van al zijn schuldenaars te gaan rentenieren op het platteland.

 

Kortepootje koos er voor om zich te vestigen in Pykselsche Burgh en kocht een lap grond ten noordoosten van Voxel op Zand, op de grens het huidige Polygoonsterloo, om zijn herenboerderij te bouwen. Volgens de overlevering verliep de bouw van het gigantische landhuis voorspoedig en er werden grote vorderingen gemaakt met het platbranden en omhakken van grote stukken bosperceel.

 

Aangezien de fondsen van Palf Kortepootje bijna oneindig waren werd er steeds meer grond opgekocht en van bos ontdaan. Vanaf het moment dat de werklieden dieper de bossen van Voxel op Zand introkken begonnen de problemen. Meerdere mysterieuze ongelukken op en rond de bouwplaats deed de werklieden uiteindelijk besluiten om het werk aan het grote landhuis neer te leggen.

 

Zo kwam het dat pandjesbaas Palf opgescheept kwam te zitten met een majestueus landhuis dat maar voor een kwart bewoonbaar was. Desalniettemin besloot Kortepootje toch te verhuizen, een beslissing die hem duur kwam te staan.

 

Palf nam zijn intrek in het landhuis met vers ingehuurd bedienend personeel. Na eek week was de ex-pandjesbaas echter volkomen alleen, op de enige vrouw in zijn leven, zijn (onderbetaalde) huishoudster die levenslange schulden bij hem had. Reden voor het massale vertrek waren aanhoudende verhalen over spoken en andere morbide taferelen die men vanuit het landhuis kon zien op de omliggende gronden. Op de derde nacht werd een bediende naakt teruggevonden op de binnenplaats, gezeten op een stapel stenen en bibberend van angst. Hij zou zijn benaderd door een geraamte met een wit gewaad die hem vriendelijk een andere baan zou hebben aangeboden.

 

Palf Kortepootje hield het nog een week alleen vol in zijn spookhuis. Aan het begin van de derde week van zijn verblijf trok hij er samen met zijn huishoudster en een donderbus 's nachts op uit om de spookachtige verschijningen zelf te onderzoeken. Van deze middernachtelijke expeditie kwam Kortepootje terug als een anders mens, in de meest letterlijke zin van het woord. Diverse bronnen speculeren dat Palf Kortepootje diep in het bos, aan de rand van de laatste gekapte bomen, de Bosduvel tegenkwam die hem vermanend toesprak en hem vervolgens bestrafte door Palf Kortepootje op magische wijze te versmelten met zijn huishoudster.

 

Na de nacht waarin de Bosduvel het groteske huwelijk van Kortepootje met zijn schuldenaar had voltrokken verloor de pandjesbaas ineens al zijn rijkdommen een brand in een bankgebouw in de Grote Stad waar al zijn waardepapieren waren opgeslagen. Kortepootje en zijn huishoudster bewoonden daarop nog enige jaren het landhuis, levend van wat het bos hen te bieden had, om daarna beiden in armoede te overlijden in 1703.

 Croquis Vastrami

Croquis tijdens een demonstratie van zijn bekendste uitvinding: de Ballenklepper. Staan de dingen nu bekend als castagnetten, Vastrami wilde er jonge hondjes zindelijk mee maken.

Croquis Vastrami

(1601 – †1665)

De 17de eeuw kenmerkte zich door een vergaande verstedelijking van Pykselsche Burgh, waarbij de regerende macht (de Schout en Schepenen) zetelde in Slot Voxelsteyn. Tevens begon men met de inpoldering van het omringende moerasland om het geschikt te maken voor agrarisch gebruik.

Het was ook een tijd van wetenschappelijk vooruitgang en Pixelburg zou Pixelburg niet zijn als men een zeer specifieke invulling zou geven aan het begrip wetenschap. Een van de voornaamste uitvinders in Pykselsche Burgh uit die tijd was Croquis Vastrami, een flamboyante Italiaanse immigrant die aan het hoofd stond van de inpoldering van de omgeving.

Vastrami was als uitvinder vooral bekend van de mechanische poederdoos, dat dames van stand een egaal wit gelaat met elegante mascara-accenten beloofde. Ook zijn laarzenspanner op waterkracht was een groot succes onder de jagende edellieden. Van het droogmalen van polders, of het bouwen van molens en pompen had Vastrami totaal geen verstand. Waarom men geen expert als Leeghwater vroeg om Pykselsche Burgh in te polderen is historici een raadsel.

Vastrami bouwde aanvankelijk meer dan dertig molens, maar vergat de wieken. Nadat de wieken aangebracht waren en het flink ging waaien stortte meer dan de helft van de molens in, omdat de waterpomp in de molenbehuizing alleen voor esthetische doeleinden gemaakt was. Uiteindelijk lukt het Vastrami om slechts een molen op halve kracht te laten draaien.

Het leegpompen van de moerasgronden rondom Pykselsche Burgh duurde dan ook vele jaren en Croquis Vastrami was al lang overleden toen de eerste grond bruikbaar was voor het verbouwen van gewassen.

Later had men overigens meer succes met het droogpompen van het landschap. In 1767 behoedde Molen De Digitale Hoop Pykselsche Burgh van een ware zondvloed, toen de Pixelrijn na langdurige regenval buiten zijn oevers dreigde te treden.

Conquistador Rigoletto Quel Alabèr

Conquistador Rigoletto Quel Alabèr en zijn schalkse lach

Conquistador Rigoletto Quel Alabèr

(1593 – †1635)

Conquistador Rigoletto Quel Alabèr vertrok in 1611 met zijn schip om de horizon van het Spaanse rijk te verbreden. Zijn doel was om de inboorlingen in verre oorden te domesticeren en onderwerpen, maar door een navigatiefout raakt zijn schip uit koers.

Op een ochtend in 1611 ontwaarden de Pixelburgers een Spaans galjoen dat was vastgelopen in de Pixelrijn. Vele tot op de tanden gewapende Spaanse soldaten probeerden nog om het centrum van Pixelburg in te nemen, maar werden al snel gespietst op hooivorken of anderszins weggejaagd. Conquistador Rigoletto Quel Alabèr verbleef enige tijd in gevangenschap in het oude gemeentehuis van Pixelburg om daarna vrijgelaten te worden.

Het galjoen werd in stukken gehakt en als brandhout gebruikt in de barre hongerwinter van 1612. Heer Quel Alabèr sleet zijn dagen als normale burger in het Pixelburgse en specialiseerde zich in het ongelukkige maken van jonge vrouwen die hij op de voor hem typische manier schalks toelachte (zie afbeelding).

Jakkersch dun Wurm

Een ietwat chagrijnige Jakkersch, vastgelegd door een onbekende kunstenaar, nadat men hem ontdekte temidden van de brokstukken van zijn kunstige Mariabeeldvermomming.

Jakkersch dun Wurm

(1523 – †1572)

Het is moeilijk voor te stellen dat Meneer Dun Wurm in de 16de eeuw een gevreesde terrorist was. De echte naam van Jakkersch is volgens officiële, in gevonden in Parijs documenten Jaques dûn Mincesvers, een hugenoot.

 Waarschijnlijk werd Jakkersch dun Wurm omstreeks 1559 naar Pyskelsche Burgh gezonden om de voortgang van het Concilium Pixelburgium (Pykselsche Concilie) te verstoren. Het Vaticaan had Pykselsche Burgh namelijk aangewezen als centrum voor een van de concilies die de Reformatie het hoofd moest bieden. Mede om het strijdvaardige karakter van de agenda van het concilie waren diverse protestantse organisaties zeer op hun hoede.

Jakkersch dun Wurm werd met de opdracht om drie hoge geestelijken, sleutelfiguren in het concilie, te vermoorden naar Pykselsche Burgh gezonden. Dankzij het bijzondere postuur van Dun Wurm kon de hugenotenterrorist zich verstoppen in een uitgehold Mariabeeld en zo de woonvertrekken van zijn slachtoffers infiltreren. Al bij zijn eerste moordpoging ging het echter mis, oplettende bedienden merkten het bewegende Mariabeeld dat door de gangen schuifelde al zeer snel op en dachten aanvankelijk dat het om een godswonder ging. Huilende heiligenbeelden waren in die tijd een algemeen bekend fenomeen en men dacht daarom te maken te hebben met een nieuw soort mirakel. Het beeld werd meegenomen en achter slot en grendel geplaatst totdat deskundigen uit het Vaticaan een oordeel konden vellen over de authenticiteit van het wonder en of het een gunstige voorbode was voor het verloop van het concilie. Het oordeel van het Vaticaan was echter van weinig waarde, aangezien een onhandige bediende tijdens het zware beeld liet vallen tijdens een schoonmaakbeurt. Temidden van de brokstukken vond men Jakkersch dun Wurm: de Hugenoten terrorist.

 Na een langdurige rechtszaak werd Jakkersch dun Wurm bij wijze van ultieme straf, per pakketpost terug naar Frankrijk gezonden, ditmaal verkleed als een travestiete versie van Johannes Calvijn. Om zijn nek had men een aflaat gebonden met het opschrift:

"Ick syn enen protestaentschen leeverworscht!"

 Volgens de overlevering kwam Jakkersch dun Wurm, inmiddels weer Jaques dûn Mincesvers geheten, om het leven tijdens de bloederige Bartholomeusnacht in 1572.

 Ondanks de gewichtige voornemens van het Vaticaan en de Protestantse vrees is tijdens het Pykselsche Concilie uiteindelijk bitter weinig besloten, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Concilie van Trente (1545-1563). In Pykelsche Burgh waren de verzamelde geestelijken vooral onder de indruk van het Voxelsteynse Abdijbier en de losse moraal. Een overlevend document met besluiten van het Concilium Pixelburgium bevat slechts een enkel punt:

"Meer bier, graag."

Caldunicus Flufifius

Caldunicus Flufifius perst gif uit geheimzinnige ingrediënten

Caldunicus Flufifius

(1496 – †1587)

Caldunicus Flufifius was een 15de eeuwse alchemist en gifmenger en een groot voorbeeld voor apotheker Rudy Thiry heden ten dage. Als alchemist wordt Flufifius vooral gezien als de ontdekker van de Steen der Wijzen die hij ongeveer ter hoogte van de afgebrande boswachterswoning Voxelsteyn-Noordveld opgroef. Caldunicus Flufifius heeft volgens de overlevering de steen uitgebreid aan studie onderworpen, maar wierp de steen uiteindelijk uit pure frustratie in de Pixelrijn.

In de 20ste eeuw mag het onderzoekswerk van Flufifius weer op de nodige aandacht rekenen, zo is er het onderzoeksproject van Adelbert van Merriënboer naar Flufifius en volgens veel bewoners hangen de geheimzinnige dregwerkzaamheden in de Pixelrijn nauw samen met het werpen van de steen door Flufifius en de interesse van Van Merriënboer.

In de 15de eeuw stond Caldunicus vooral bekend als gifmenger die menig hoogeplaatste dame van de middelen voorzag die nodig zijn om vervelende echtgenoten naar de eeuwige jachtvelden te helpen.

Ludovico Gegrania

De dissidente monnik Gegrania vlak voor zijn executie in een vat bier, op het laatste moment poept een vogel op zijn tonsuur.

Ludovico Gegrania

(1478 – †1521)

De monnik Ludovico Gegrania was de leider van een grote religieuze opstand die de bewoners van de Voxelsteynse Abdij verscheurde in de 16de eeuw.

Ludovico Gegrania had namelijk een hekel aan bier en was van mening dat de drank niet gebrouwen mocht worden op de heilige grond van de abdij. Bier was namelijk vulgair en zou de spirtuele humoren van de monniken vervuilen. In plaats van bier en copieuze maaltijden zouden de monniken moeten leven van water en brood.

De toenmalige abt van de abdij stond lijnrecht tegenover Gegrania en zijn nieuwe levensfilosofie en de daaropvolgende machtsstrijd zou diepe sporen achterlaten in de geschiedenis van de abdij. Op een nacht stond een deel van de brouwerij in brand en door deze op tijd te blussen kon ternauwernood de rest van de abdij gered worden van de vuurzee. De brand zou zijn aangestoken door Gegrania en zijn trawanten, zoveel werd duidelijk uit een geschrift dat op de deur van de abdij was gespijkerd.

Voor de abt was de maat vol en Ludovico Gegrania werd opgepakt zodra hij terugkwam uit het centrum van Pixelburg alwaar hij zijn abjecte filosofie reeds verkondigde aan het eenvoudige, goedgelovige boerenvolk.

Na een proces dat gehouden op de binnenplaats van de abdij werd Gegrania onder het toeziend oog van een gezant van de Vaticaanse Inquisitie verdronken in een groot vat Voxelsteyns abdijbier. De laatste woorden van Ludovico waren volgens de overlevering: "Gadver."

Sint Elisabetta Rotundo van Kwukkelen

Het aureool en Sint Elisabetta tijdens de nachtrust

Sint Elisabetta Rotundo van Kwukkelen

(1352 – †1380)

Het geslacht Rotundo van Kwukkelen is inmiddels uitgestorven, maar in de 14de eeuw oefenden ze veel macht uit in Pixelburg en Texelen. Ze waren goede vrienden met de Okelebeerszoon familie en vele dochters uit het geslacht Rotundo van Kwukkelen trouwden met leden van de Okelebeerszoon dynastie.

Elisabetta trouwde echter nooit, maar werd een heuse religieuze attractie toen er in 1371 plots een aureool uit haar hoofd groeide. Gelovigen kwamen van heinde en verre om het prachtige schouwspel te zien en ook de kardinaal uit de grote stad was onder de indruk van de fonkelende pracht van Elisabetta's aureool.

Elisabetta klaagde nooit over de bijzonder contraptie op haar hoofd die ze tot aan haar dood in 1380 droeg, alleen vond ze het lastig met slapen.

In de 19de eeuw riep het Vaticaan Elisabetta uit tot heilige, de gemeenteraad ruziet al 200 jaar over een geschikte plaats voor een bedevaartsschrijn gewijd aan Sint Elisabetta.